Week 04 (12 nov)

Thema: Mijn dromen en teleurstellingen

 

Inleiding

Dromen en teleurstellingen: twee kanten van ons verlangen, van wat we hopen.

Vaak worden onze dromen ingehaald door de realiteit van het leven.

Als we eerlijk onze werkelijkheid onder ogen zien

kan dit ons brengen tot de waarheid, die vrij maakt.

 

Voorbereiding

Ik neem een comfortabele houding aan; plant mijn voeten stevig op de grond; laat mijn adem tot rust komen en stel me open voor de stilte.

 

Ik concentreer mij op het contact van mijn lijf met de stoel. Hoe de stoel mij draagt. Hoe de  stoel de warmte van mijn lichaam versterkt. Misschien kan ik nog wat comfortabeler gaan zitten.

 

Dan richt ik mij op het contact van mijn voeten met de grond. De grond draagt niet alleen mijn voeten, maar ook de stoel met mij erop. Dragende grond.

 

Terwijl ik zo bewust op mijn stoel zit luister ik naar de psalmverzen.

 

Psalm 30, versen 1 t/m 4, 7 t/m 9, 11 t/m 13

(Willibrordvertaling 1995)

 

Ik prijs U hoog, Heer,

want U hebt mij uit de put omhoog gehaald;

geen vijand kan nog om mij lachen.

Heer, mijn God, ik riep om U,

en U, U hebt mij genezen.

Uit het dodenrijk hebt U mij opgehaald,

Heer, U hebt mij opnieuw laten leven

en mij weerhouden van de weg naar het graf.

 

Ik dacht in mijn zelfgenoegzaamheid:

'Ik wankel nooit.'

Terwijl toch alleen door uw liefde, Heer,

ik steviger stond dan stoere bergen;

en nauwelijks had U uw gelaat omhuld,

of alle houvast was ik kwijt.

Daarom riep ik U aan, Heer,

o Heer, ik riep U aan om genade:

'Luister Heer, ontferm U over mij,

laat zien dat U mijn helper bent.'

 

En wat hebt U gedaan?

Mijn klacht in een reidans omgezet,

mijn rouwkleed genomen en een feestkleed gegeven.

Nu zingt mijn hart U voortaan toe,

en nooit, nooit zal ik meer zwijgen.

Heer, mijn God,

U zal ik voor altijd eren.

 

Meditatie

 

1. De psalmdichter kijkt biddend naar de dieptepunten en keerpunten in zijn leven.

Ik probeer ook zo te kijken naar de hoop en de dromen die ik heb gekoesterd, en hoe het daarmee is gegaan.

 

2. De psalmdichter heeft ervaren dat hij niet zelf de dragende kracht in zijn leven is.

Ik overweeg waar ik mijn houvast zoek. Wat is de grond die mij draagt?

 

3. De psalmdichter heeft zijn leven voor God opengelegd en zich aan Hem toevertrouwd.

Kan ik aanvaarden dat mijn leven vaak anders verloopt dan ik zou willen, en mij aan God toevertrouwen zoals ik ben? Verlang ik daarnaar?

 

 

Ter afsluiting: Klein danklied

(Gezangen voor Liturgie 608)

 

Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,

hebt boven ’t nameloze mij uitgetild.

 

Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd,

geborgen in de bevende zekerheid,

 

dat ik niet uit dit smal en onvast bestand

van mijn bestaan kan vallen dan in uw hand.

 

(Tekst: Ad den Besten, muziek: M. Stumpel)