Week 23 (25 mrt)

Thema: De donkere nacht

 

Christobal de Morales (1500-1553): Parce mihi Domine

Uit Officium door Jan Gabarek en Hilliard ensemble

http://www.youtube.com/watch?v=Uk1YMS2M0L4

 

Parce mihi, Domine,

nihil enim sunt dies mei.

Quid est homo, quia magnificas eum?

Aut quid apponis erga eum cor tuum?

Visitas eum diluculo

et subito probas illum.

Usquequo non parcis mihi,

nec dimittis me,

ut glutiam salivam meam?


Spaar mij, Heer,

want mijn dagen lopen op niets uit.

Wat is de mens dat U hem groot maakt?

Of waarom heeft U uw hart aan hem verpand?

U bezoekt hem in de morgenstond

en overvalt hem met uw beproeving.

Waarom spaart U mij niet,

waarom bevrijdt U mij niet

terwijl ik mijn speeksel inslik.

 

 

Inleiding

Welkom bij deze meditatie met als thema ‘De donkere nacht’. Dat slaat op Jezus strijd in de Hof van Olijven met zijn angst en met de bekoring om te vluchten. Jezus vraagt ons om met hem te waken en te bidden, om niet voor de bekoring te bezwijken.

Ik wil u voorstellen om dat aan de hand van psalm 56 te doen, waarin ook iemand vecht met de bekoring.

 

Psalm 56

Vert. A. Bronkhorst o.p., Bew. H. Schelbergen sj

 

1 Wees genadig, God, nu mensen mij vertrappen,

steeds bestoken en benadelen zij mij.

Mijn bestrijders kwellen mij voortdurend,

vallen op mij aan met man en macht.

 

De psalmist verkeert in het duister. Hij wordt vervolgd door mensen die hem vertrappen, bestoken, kwellen en aanvallen.

Ook wij kunnen ons bedreigd voelen, niet alleen door mensen, maar ook door situaties, beproevingen van buitenaf of van binnen uit onze ziel.

Wie of wat bedreigt mij, kwelt mij, tracht mij neer te halen?

 

2 Allerhoogste, als de angst mij aangrijpt

stel ik al mijn hoop op U.

Op de Heer en zijn belofte,

op de Heer vertrouw ik zonder vrees;

hoe zou dan een mens mij deren?

 

In het 2e couplet is sprake van angst. Herken ik dat?

De psalmist houdt zich in zijn angst vast aan God met een refrein dat drie keer in deze psalm voorkomt:

‘Op de Heer en zijn belofte,

op de Heer vertrouw ik zonder vrees,

hoe zou dan een mens mij deren!”

Waar houd ik mij aan vast in de angst. Wat is in mijn leven een terugkerend refrein dat mij staande houdt?

 

3 Aldoor zoeken zij me te bekladden,

heel hun denken is op mijn verderf gericht.

Ze beloeren mij en staan mij naar het leven,

rotten samen om mijn gangen na te gaan.

 

Vanuit dit gebed van vertrouwen kan de psalmist beter zien wat de bedreiging met hem doet. De bedreiging is gericht op zijn verderf, is een complot dat hem naar het leven staat. Hoe is dat bij mij?

 

4 Maar mijn vijand wijkt als ik U aanroep,

ja, ik weet het, God verlaat mij niet!

Op de Heer en zijn belofte,

op de Heer vertrouw ik zonder vrees;

hoe zou dan een mens mij deren?

 

De psalmist heeft ervaren dat de bedreiging wijkt als Hij God aanroept, als hij zich in gebed tot God richt met zijn vertrouwde refrein.

Heb ik dat ook mogen ervaren?

 

5 Heel mijn zwerversleven kent Gij,

al mijn tranen hebt Gij opgevangen in uw kruik.

 

Zo kan ons leven een strijd zijn met vallen en weer opstaan; een zwerversbestaan zegt de psalm, van houvast naar houvast. Maar God weet het en vangt mijn tranen op. Mijn tranen gaan niet verloren, mijn lijden is niet voor niets.

 

6 Want door U ben ik de dood ontkomen,

Gij behoedt mijn voeten voor de val.

Daardoor kan ik voortgaan voor Gods Aanschijn

In het licht dat alle levenden verlicht.

Op de Heer en zijn belofte,

op de Heer vertrouw ik zonder vrees;

hoe zou dan een mens mij deren?

 

Vanuit dit gebed kan de psalmist opstaan, aan de dood ontkomen, en verder gaan op zijn levensweg in het licht van God en met het refrein als bagage. Wat betekent dit voor mij?

 

 

Onze Vader