Week 29 (6 mei)

Thema: Eeuwig leven

 

Lied: Vernieuw Gij mij o eeuwig licht

t. A. den Besten/m. Nürnbergisches Gesangbuch 1676


1.  Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht!

God, laat mij voor uw aangezicht,

geheel van U vervuld en rein,

naar lijf en ziel herboren zijn.

 

2.  Schep, God, een nieuwe geest in mij,

een geest van licht, zo klaar als Gij;

dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt

en ga de weg die U behaagt.

 

3.  Wees Gij de zon van mijn bestaan,

dan kan ik veilig verder gaan,

tot ik U zie, o eeuwig Licht,

van aangezicht tot aangezicht.

 

 

Tekst Luk.10, 25-37: Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?

 

25 In die tijd trad een wetgeleerde naar voren om Jezus op de proef te stellen.

     Hij zei: „Meester wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven ?"

26 Jezus sprak tot hem: „Wat staat er geschreven in de wet? „Wat leest ge daar?"

27 Hij gaf ten antwoord: „Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met   

     geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf."

28 Jezus zei: „Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven."

29 Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak hij tot Jezus:

     „En wie is mijn naaste?"

30 Nu nam Jezus weer het woord en zei:

     „Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in handen van rovers.

     „Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken, lieten ze hem half dood liggen.

31 „Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel maar liep in een boog

     om hem heen.”

32 „Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem

     heen.

33 „Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden;

34 hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem

     op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.

35 „De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei:

     „Zorg voor hem en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden."

36 „ Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers

     gevallen is?"

37 Hij antwoordde: „Die hem barmhartigheid betoond heeft."

     En Jezus sprak: „Ga dan en doet gij evenzo."

           

Meditatie

 

1. Ieder heeft zijn levensweg te gaan. Hebben we ook een bestemming? Onderweg-zijnde is dat geen gekke vraag: het evangelie neemt deze vraag op en geeft aan: onze bestemming is het eeuwig leven. Wat moet ik daarvoor doen nu ik nog op weg ben? Goede vraag: toekomst gericht en betrokken op het hier en nu.

Jezus grijpt terug op de bijbel als het levensboek. Het daar geschrevene is voor ons het voorgeschrevene. : “gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste als u zelf.” Dit is de ziel van alle andere wetten en regels: de liefde met de Eeuwige, die zelf de liefde is. Dat is een liefde waarop je in alle eeuwigheid niet uitgekeken raakt. Hemels is die liefde én aards, ten diepste voor ieder aantrekkelijk. Warme genegenheid voor God. We mogen van Hem houden, van Hem die zelf de liefde is en van alle mensen houdt

 

2. Je leeft pas echt, als je nu al begint wat je eeuwig verder mag doen in de liefde voor de Eeuwige. De scheidslijn tussen nu en eeuwigheid ligt niet tussen hier en straks; de eigenlijke beslissende stap naar je bestemming is de omkeer naar God, die als Liefde het verschil nu en altijd zal uitmaken. “Geef mij Uw liefde. Dat is genoeg”. (Ignatius van Loyola). Heel de levensweg beschouwen als een inoefenen om de liefde te verkrijgen. Daarbij is de liefde voor de naaste, die je ziet, een criterium voor de liefde tot God, die je niet ziet.

 

3. De vraag van de schriftgeleerde is een vraag naar een criterium: “wie is mijn naaste?” Met de onderliggende toon naar de grens van de liefde. Alleen mijn gezin, mijn vrienden, onze natie, volk, ras, godsdienst. Tot hoever reikt de liefde? Wie valt er buiten en waar begint een vrijblijvende liefde? Jezus zegt geen grenzen te stellen en niet van zichzelf uit te denken. De schriftgeleerde wilde zijn vraag naar het eeuwig leven verantwoorden. Veel vragen zijn tegen  beter weten in, als men in plaats van eenvoudig te doen, wat je te weten is gegeven en daarmee Gods gewetenswoord en eigen hartelijke liefde ontkracht.

 

4 Voor wie het goed hebben en vol van eigen goedheid zijn, zoals de priester en leviet, is de vraag naar de naaste er en naar de grens. Hoor die vraag nu eens in de mond van een arme, een medemens in lichamelijke en vooral ook geestelijke nood en pijn, roepend, als randfiguur en uitgebuit, om een medemens. “Wie lijkt u de naaste te zijn”. Jezus is onze naaste. Hij is in elke medemens in nood. Dat antwoord op wie onze naaste is brengt ons nader tot de bestemming.

Jezus is die barmhartige Samaritaan, die ons dit woord geeft en er zelf naar heeft gehandeld. “Maak ons hart gelijkvormig aan Uw doorboord hart.”

 

5. Mensen die naar de toekomst leven mogen lijken op de herbergier. Tot de terugkomst van de Heer geeft Hij aan deze de opdracht te zorgen voor degenen die hem in handen zijn gegeven en ter harte moeten gaan. De herberg die onze kerk mag zijn is een zorggemeenschap ook van gewonde mensen, die onze broeders en zusters zijn. Je mag als herbergier eveneens een barmhartige Samaritaan zijn, die wij in Jezus herkennen. Je hebt eeuwig leven als je de barmhartige Samaritaan Christus navolgt.

Je zult een echte herbergier worden, als je beseft, dat Christus al in het begin van zijn leven geen plaats vond in de herberg.