Week 32 (27 mei)

Thema: Een lichaam voor de Geest

 

Inleiding

 

Jezus zelf is het hart van het lichaam, dat zijn Geest krijgt: de Kerk.

Het zal altijd gaan om geloof, om voortdurende bekering.

Ik zou de verrezen Heer kunnen vragen dat ik zijn werk in mij laat doen.

Dat ik mij laat raken door zijn kracht, en die in mij toelaat.

 

De kracht van de verrezen Heer, het Licht dat ons aanstoot in de nieuwe morgen van ons leven. Dat wij onze ogen mogen openen voor dit Licht.

 

Lied aan het licht

Muziek Antoine Oomen/ tekst Huub Oosterhuis

                 
Licht dat ons aanstoot in de morgen,

voortijdig licht, waarin wij staan.

Koud, één voor één, en ongeborgen,

licht, overdek, mij, vuur mij aan.

Dat ik niet uitval, dat wij allen,

zo zwaar en droevig als wij zijn,

niet uit elkaars genade vallen

en doelloos en onvindbaar zijn.

 

Licht van mijn stad en stedehouder,

aanhoudend licht dat overwint.

Vaderlijk licht, steevaste schouder,

draag mij, ik ben jouw kijkend kind.

Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen

of ergens al de wereld daagt

waar mensen waardig leven mogen

en elk zijn naam in vrede draagt.

 

Alles zal zwichten en verwaaien

wat op het licht niet is geijkt.

Taal zal alleen verwoesting zaaien

en van ons doen geen daad beklijft.

Veelstemmig licht om aan te horen,

zolang ons hart nog slagen geeft.

Liefste der mensen, eerstgeboren

licht, laatste woord van hem die leeft.

 

Laten wij meelopen met twee van Jezus leerlingen. Zou ik dicht bij hen blijven, of loop ik liever op een afstandje mee? Wat zou ik doen, toen Jezus zich bij hen voegde?

 

Lucas 24, 13-35

 

Juist op die dag waren twee van hen op weg naar het dorp Emmaüs, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat voorgevallen was. Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen. Hij sprak tot hen: “Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?” Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: “Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?” “Wat dan?” vroeg Hij. Ze zeiden Hem: “Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en ze hebben Hem zelfs gekruisigd. En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was, die Israël zou verlossen, maar al met al is het nu al twee dagen geleden gebeurd. Wel hebben enkele vrouwen uit onze kring ons versteld doen staan. Die waren vanmorgen vroeg naar het graf gegaan en toen ze zijn lichaam daar niet aantroffen, kwamen ze terug met het verhaal dat ze ook nog een verschijning hadden gehad van engelen die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan en het bleek zo te zijn als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben ze niet gezien.”

 

Zo vol van wat er in Jeruzalem gebeurd is, zo teleurgesteld en verdrietig zijn deze leerlingen. Voel ik mij ook weleens zo, als ik mijn hoop op iets of iemand gevestigd heb en dit niet uitkwam? Ben ik ook weleens teleurgesteld in mijn geloof in Jezus, in God?

 

Toen zei Hij tot hen: “Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?” En Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle profeten.

Toen ze bij het dorp kwamen waar ze moesten zijn, deed Hij alsof hij verder wilde gaan. Maar met aandrang vroegen ze: “Blijf bij ons, want bijna avond en de dag loopt al ten einde.” Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven.

 

“Licht overdek mij, vuur mij aan” klonk het lied. De leerlingen die teleurgesteld weg trokken uit Jeruzalem werden overdekt door de vurige woorden van Jezus. Ze werden erdoor aangespoord om Hem te vragen bij hen te blijven.

Is mijn verlangen naar Hem ook zo groot dat ik Hem van harte kan vragen bij mij te blijven?

 

Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen. Ze zeiden tegen elkaar: “Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende?” Meteen stonden ze van tafel op en gingen terug naar Jeruzalem: daar vonden ze de elf en hun metgezellen bijeen. Die zeiden: “Waarachtig de Heer is opgewekt, aan Simon is Hij verschenen.” Toen vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en hoe ze Hem hadden herkend bij het breken van het brood.

 

Is er ook in mijn leven een gebeurtenis, een moment geweest, waarbij mijn ogen opengingen en ik ten diepste voelde en begreep wie Jezus voor mij kan zijn?

Zou ik ernaar verlangen om dit mee te maken, geheeld te worden in mijn gekwetste leven door het voedsel dat Jezus mij kan geven?