Week 33 (3 jun)

Pinksteren aan het Laatste Avondmaal

 

Lied tot Jezus Christus

 

1.         Gij zijt voorbijgegaan,

            een steekvlam in de nacht.

            De vonken van uw naam

            zijn ogen in ons hart.

            In flarden hangt uw woord

            om onze wereld heen,

            wij leven in U voort,

            wij zijn met U bekleed.

 

2.         Gij zijt voorbijgegaan,

            een voetspoor in de zee.

            Gij zijt te ver gegaan,

            Gij zijt een mens te veel.

            Gij zijt voorgoed, Gij zijt

            verborgen in uw God.

            Geen stilte spreekt U uit,

            ondenkbaar is uw dood.

 

3.         Gij zijt voorbijgegaan,

            een vreemd bekend gezicht,

            een stuk van ons bestaan,

            een vriend, een spoor van licht.

            Uw licht is in mijn bloed,

            mijn lichaam is uw dag,

            ik hoop U tegemoet

            zolang ik leven mag.

 

Johannes 16,5-7

05        Thans ga Ik naar Hem die Mij gezonden heeft,

            en toch vraagt niemand van u Mij: Waar gaat Gij heen?

06        Omdat ik u dit gezegd hebt, is uw hart vol droefheid.

07        Toch zeg Ik u de waarheid:

            het is goed voor u dat Ik heenga;

            want als Ik niet heenga,

            zal de Helper niet tot u komen.

            Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot u zenden.

 

Meditatie

 

0.         Ik plaats mij in tegenwoordigheid van onze God

            die met vriendelijkheid naar mij kijkt.

 

1.         Situatie.

            Jezus met leerlingen aan Laatste Avondmaal.

            Hoe ziet de zaal eruit.

            Waar bevind ik mij?

 

2.         Zojuist is Judas er tussenuit getrokken

            om Jezus over te leveren.

            Terwijl Jezus deze woorden spreekt,

            is men buiten bezig

            de voorbereidingen te treffen voor zijn ondergang.

            Hij weet het.

            Dat verhindert hem niet deze woorden tot zijn leerlingen te spreken.

 

3.         Twee gevoelens:

            Verdriet om afscheid.

            Toch is het ook goed.

            Zolang ik bij jullie ben als mens van vlees en bloed,

            ben ik de belichaming van de Heilige Geest.

            Buiten jullie.

            Bedoeling is dat Heilige Geest bezit van jullie neemt,

            zoals dat het geval is bij mij.

            Stel je voor: een mens te zijn als Jezus.

            (‘Het is goed voor jullie dat ik heenga’)

 

4.         ‘Niemand vraagt: Waar gaat u heen?’

            Om jullie tot mensen te maken, zoals ik, moet ik als mens plaats maken.

            En een vorm aannemen die zich volkomen met jullie kan verenigen:

            Geest (‘de Helper’).

            [Vgl. rook in gerookte paling of rookworst; of lichaamsgeur]

           

5.         Of  ander beeld:

            Jezusbrood dat ik in mij opneemt

            dat mij voedt

            en dat mij maakt tot Jezusmens!

            Heilige-Geest-mens, zoals Jezus zelf.

            Twee-eenheid: onlosmakelijk met elkaar verenigd.

            ‘Uw licht is in mijn bloed.’

            ‘Mijn lichaam is uw dag.’