Vorig seizoen‎ > ‎

Week 01 (3 okt)

Thema: God in mij?

 

Ik wil mijn leven meer leren zien

met de ogen van het geloof,

en ontdekken hoe God in mij werkt.

 

Inleiding

U wordt uitgenodigd om dit thema te overwegen aan de hand van het verhaal over Samuël. De achtergrond  hiervan is dat zijn moeder Hanna de Heer heeft gebeden om een zoon. Haar gebed is verhoord. Zoals zij had beloofd, heeft ze haar zoon Samuël afgestaan voor de dienst aan God.

 

Lied
(Laat mij maar zingen, CD 3, nr. 3;

Huub Oosterhuis/Bernard Huijbers)

 

Gij wacht op ons

totdat wij opengaan voor U.

Wij wachten op uw woord

dat ons ontvankelijk maakt.

Stem ons af op uw stem

op uw stilte.

 

 

Tekst: 1 Samuël 3, 1-10, en meditatie

(Nieuwe Bijbelvertaling 2004)

 

1. De jonge Samuël diende dus de Heer, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de Heer en er braken geen visioenen door.

 

In die tijd …....... Over welke tijd gaat dit ….......? Herken ik iets?

 

2. Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. Toen riep de Heer Samuël. 'Ja', antwoordde Samuël. Hij liep snel naar Eli toe en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: 'Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.'

Toen Samuël weer lag te slapen, riep de Heer hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: 'Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.'

Samuël had de Heer nog niet leren kennen, want de Heer had zich niet eerder aan hem bekend gemaakt door het woord tot hem te richten.

 

Dof zijn de ogen van Eli, de godslamp bijna uitgedoofd. Bijna.

De Heer roept Samuël, een jongetje nog. Die geeft gehoor, maar weet nog niet dat iemand anders dan Eli hem kan roepen.

En Eli? Die is net als de godslamp al bijna uitgedoofd, heeft geen verwachtingen meer.

Maar de Heer geeft niet op. 

 

3. Opnieuw riep de Heer Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: 'Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?' Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep. Hij zei tegen Samuël: 'Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: 'Spreek, Heer, uw dienaar luistert.'

Samuël legde zich weer te slapen, en de Heer kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: 'Samuël! Samuël!' En Samuël antwoordde: 'Spreek, Heer, uw dienaar luistert.'

 

Als Samuël voor de derde keer bij hem komt, wordt er ook in Eli iets wakker. Het is de Heer die roept. Nu kan Samuël werkelijk gehoor geven aan degene die hem roept.

Kan ik mij open stellen voor de roep van de Heer? Verlang ik daarnaar?

 

 

Afsluiten met het lied