Vorig seizoen‎ > ‎

Week 23 (5 mrt)

Thema: De donkere nacht

 

 

Inleiding

Het nachtelijk uur der waarheid breekt aan voor Jezus. Alles wat Hij heeft valt weg. Hij wordt tot het uiterste op de proef gesteld.

Zou het mij gegeven worden te waken bij Jezus en trouw te blijven tot het uiterste?

 

Na de maaltijd met zijn leerlingen bidt Jezus tot Zijn Vader om hem kracht te geven om Zijn angst te overwinnen. Hij wordt tot het uiterste beproefd. Hij voelt het einde naderen. Dan trekt Hij met hen de stad uit naar de Olijfberg.

 

Wij stellen ons voor dat wij hier in aanwezigheid van onze goede God, in diepe duisternis met Jezus meegaan naar Getsemane. Hij weet wat hem te wachten staat en offert zich op voor zijn leerlingen, zijn vrienden, voor mij?

Ik zoek ergens tussen zijn leerlingen een plaats.

 

Preisner: Requiem for my friend – Offertorium

https://www.youtube.com/watch?v=Qwz20nsGaeI

 

Hostias et preces tibi, Domine, laudis offerimus.

Tu suscipe pro animabus illis quarum hodie memoriam facimus.

Fac eas, Domine, de morte transire ad vitam,

quam olim Abrahae promisistiet semini eius.

 

We offer to thee, O Lord, sacrifice of praise and prayers.

Do thou receive them in behalf of those souls whom we commemorate this day;

grant them, O Lord, to pass from death to that life;

which Thou didst promise of old to Abraham and to his seed.

 

Zo vertelt Johannes hierover:

  

Tekst en meditatie: Joh.18,1-9

 

Na het gebed trok Jezus met zijn leerlingen naar de overkant van de Kedronbeek. Daar lag een tuin, waar Hij met zijn leerlingen binnenging. Ook Judas, die Hem ging overleveren, kende de plaats, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. Zo kwam Judas erheen met de cohort en een aantal gerechtsdienaars van de hogepriesters en Farizeeën, voorzien van fakkels, lantaarns en wapens.

 

Tot het einde toe met iemand meelopen in een periode van diepe duisternis. Is die mij al eens overkomen? Zie ik dat misschien in de toekomst nog gebeuren? Hoe zou ik dan handelen, wat voelen?

 

Jezus die alles wist wat Hem zou overkomen, trad naar voren en vroeg: “Wie zoekt u?” Ze antwoorden: ”Jezus, de Nazoreeër.” “Ik ben het”, zei Hij, terwijl Judas, die Hem overleverde, erbij stond. Nauwelijks had Hij gezegd: “Ik ben het”, of ze deinsden achteruit en vielen op de grond. Nogmaals stelde Hij hun de vraag: ”Wie zoekt u?” “Jezus de Nazoreeër”, zeiden ze. Jezus antwoordde: ”Ik zei u al: Ik ben het. Als ik de man ben die u zoekt, laat hen dan gaan.”

 

Meelopend met Jezus, zijn leven misschien vervlochten met mijn leven. Wie zoek ik dan?

Wat zou ik Jezus tegen mij willen horen zeggen als ik vraag: wie bent U?

 

Zo zou het woord in vervulling gaan dat Hij gesproken had: ”Van hen die U mij hebt toevertrouwd, heb ik niemand verloren laten gaan.”

 

Niemand laat Hij verloren gaan.

Is dit voor mij troostend, bemoedigend of herken ik dit niet, maar verlang ik er wel naar?

 

 

Eindigen met Preisner: Offertorium