Vorig seizoen‎ > ‎

Week 31 (30 apr)

De Geest die levend maakt

 

Psalm  122

Jan Pietersz Sweelinck

 

Incontinent que j’eus ouï,

Sus, allons le lieu visiter,

Où le Seigneur veut habiter,

O que mon coeur s’est resjouï!

 

Or, en tes porches entreront

Nos pieds, et sejour y feront,

Jerusalem la bien dressée:

 

Jerusalem qui t’entretiens,

Unie avec tous les tiens,

Comme cité bien policee.

 

Gelukkig was ik toen men zei:

Kom, laat ons naar de plek toe gaan

waar onze Heer zijn huis heeft staan

O ja, wat was mijn hart toen blij

 

Daar staan wij reeds onder uw poort

o stad die hart en ziel bekoort

Jeruzalem, hier zijn wij dan.

 

Jeruzalem, zo fraai en schoon

met ieder die er metterwoon

van goed bestuur genieten kan

 

  

Tekst: 1 Koningen 10, 1-10

01        De faam die JHWH Salomo verleend had

            was ook doorgedrongen tot de koningin van Sheba

            en zij wilde hem persoonlijk op de proef stellen met raadsels.

02        Zij begaf zich naar Jeruzalem met een zeer grote stoet kamelen,

            beladen met reukwerken, zeer veel goud en kostbare stenen.

            Toen zij bij Salomo gekomen was, legde zij hem alles voor wat zij in gedachte had.

03        Maar Salomo wist het antwoord op al haar vragen;

            niets was voor de koning zo duister dat hij het antwoord schuldig moest blijven.

04        Toen de koningin van Seba zag hoe wijs Salomo was

            en toen zij het paleis zag dat hij had laten bouwen,

05        de spijzen op zijn tafel, de hovelingen die mee aanzaten,

            de lakeien in hun uniform, de schenkers,

            de brandoffers die hij geregeld opdroeg in de tempel van JHWH,

            was zij buiten zichzelf van verbazing

06        en zei ze tot de koning: ‘Het is dus waar wat ik in mijn land gehoord heb

            over uw wijsheid en uw ondernemingen.

07        Ik heb het niet kunnen geloven, totdat ik hier kwam en het met eigen ogen zag.

            Heus, men heeft mij nog niet de helft verteld;

            u bezit meer wijsheid en rijkdom dan ik gehoord had.

08        Wat een voorrecht voor uw mannen, wat een voorrecht voor uw dienaren,

            dat zij voortdurend voor u staan en uw woorden van wijsheid mogen horen.

09        Gezegend zij JHWH uw God, die in u zoveel welgevallen heeft gehad

            dat Hij u geplaatst heeft op de troon van Israël,

            en u in zijn aanhoudende liefde voor Israël

            tot koning aangesteld heeft om recht en gerechtigheid te handhaven.’

10        Zij gaf de koning honderdtwintig talenten goud,

            zeer veel reukwerk en ook kostbare stenen.

            Nooit meer is er zoveel reukwerk aangevoerd

            als de koningin van Seba toen aan koning Salomo heeft geschonken.

 

Gedachten ter overweging

0]         Ik plaats mij in tegenwoordigheid van onze God

            die met vriendelijkheid naar mij kijkt.

 

1]         De koningin van Seba heeft over Salomo gehoord.

            Hij moet een wijs man zijn.

            Zij verlangt ernaar hem te ontmoeten.

            Met welke verlangens ben ik naar deze plek van gebed gekomen.

            Welke geruchten hebben mijn interesse gewekt?

 

2]         Ze onderneemt een lange reis. Een pelgrimstocht.

            De lange duur van die tocht kan een beeld zijn voor mijn verlangen en geloven.

            Neem ik de tijd om mijn verlangens tot hun recht te laten komen?

            Geloven is onderweg zijn naar…

            Geloven, verlangen, het zijn waarden op zich.

            Hoe beleef ik dat?

 

3]         De koningin legt Salomo al haar vragen voor.

            ‘Raadsels’ staat er. Ik interpreteer: levensvragen.

            Dingen die voor mij raadselachtig zijn in mijn leven.

            Welke ‘raadsels’ wil ik aan de Heer voorleggen?

 

4]         Welke antwoorden geeft de Wijsheid van de Bijbel op mijn vragen?

            Welke antwoorden heeft het leven mij geleerd?

            Kan ik daarin iets proeven van de Ware Wijsheid,

            van een Geest die levend maakt?

 

5]         Ik ga nog eens na waaraan de koningin herkent

            dat zij te maken heeft met de Ware Wijsheid

            en van elk genoemd gegeven ga ik na

            of ik dat op de een of andere manier herken in mijn omgeving:

-           het paleis

            (wat zou ik als ‘paleis’ kunnen beschouwen dat naar de Ware Wijsheid verwijst?)

-           de spijzen op tafel

            (welke ‘spijzen’ verwijzen voor mij naar de Ware Wijsheid?)

-           de hovelingen die mee aanzaten

            (welke ‘hovelingen’…enz.?)

-           de lakeien in hun uniform

            (welke ‘lakeien’…enz.?)

-           de schenkers (welke ‘schenkers’…enz.?)

-           de brandoffers (welke ‘brandoffers’…enz.?)

Anders gezegd:

Ik loop door mijn leven, en ga na of ook daar situaties te zien zijn

- misschien op het eerste gezicht heel gewone dingen -

die getuigen van de ware Geest.

 

6]         De koningin roept uit: ‘Wat een voorrecht…!’

            Ik stel mij voor hoe zij een tafelspeech houdt.

            Ik doe mijn persoonlijk gebed in de vorm van een spontane tafelspeech...